Aanvullende regels voor organisaties in de semipublieke sector

Meer waarborgen voor uw kwaliteit

U heeft in principe veel vrijheid om de statuten en organisatie naar eigen inzicht in te richten. Is uw vereniging of stichting werkzaam in een semipublieke sector zoals de zorg, het onderwijs en de volkshuisvesting, dan gelden dikwijls aanvullende regels om de kwaliteit en veiligheid te waarborgen. Deze regels zien in het bijzonder op het interne toezicht en de medezeggenschap van patiënten, leerlingen of huurders.

In de afgelopen jaren zijn semipublieke organisaties dikwijls in opspraak geraakt, zoals het geval was bij de Vestia-debacle in 2012 of het nog steeds lopende proces inzake Meavita. Sectorspecifieke wet- en regelgeving probeert dergelijke misstanden zoveel mogelijk te voorkomen door onder andere het aanscherpen van de verantwoordelijkheden van de bestuurders en toezichthouders. Daarnaast zijn er doorgaans veel belanghebbenden betrokken bij zulke organisaties, zoals de patiënten in de zorg. De bijzondere regelgeving bevat doorgaans veel inspraak en bescherming voor deze groepen belanghebbenden.

Ruimte
Voor gewone stichtingen en verenigingen zijn er relatief weinig wettelijke regels. De statuten moeten slechts een minimumaantal bepalingen bevatten, zoals de naam en het doel van uw organisatie. Bij stichtingen moet er daarnaast worden geregeld hoe bestuurders worden benoemd en ontslagen; bij verenigingen ligt dit bij de algemene ledenvergadering. Voor de rest is er veel vrijheid. Een verplichting tot het hebben van een toezichthoudend orgaan, zoals een raad van toezicht of raad van commissarissen, is er niet voor de gewone stichting of vereniging. Het is uiteraard wel mogelijk om dit in te stellen. Doordat er veel ruimte is om uw stichting of vereniging zelf vorm te geven, bestaat er in de praktijk een grote verscheidenheid aan stichtingen en verenigingen. Denk bijvoorbeeld aan kleine hobbyverenigingen of grote betaald-voetbalclubs en musea.

Kwaliteit
Is uw stichting of vereniging actief binnen de zorg, het onderwijs of de volkshuisvesting, dan heeft u minder vrijheid voor de inrichting van de statuten en de interne organisatie. Bij deze sectoren acht men goed bestuur en een goed intern toezicht op dat bestuur cruciaal voor de kwaliteit en veiligheid van uw werkzaamheden. Dit is vormgegeven in sectorspecifieke wet- en regelgeving. Daarin vindt u bijvoorbeeld regels over de inrichting, de verdeling van bevoegdheden en de governance van uw organisatie. Daarbij gaat het niet alleen om de vormgeving van uw statuten, maar (juist) ook om de feitelijke inrichting van uw organisatie.

Cliëntenraad is verplicht
Naast een raad van toezicht geldt voor zorginstellingen dat zij een zogeheten ‘cliëntenraad’ moeten instellen die binnen het kader van de doelstellingen van de zorgaanbieder de belangen van de cliënten (de patiënten) behartigt. Voor bepaalde belangrijke onderwerpen, zoals de begroting of toelating van patiënten, zal uw organisatie van tevoren advies moeten inwinnen bij de cliëntenraad. Verder is de raad bevoegd om ongevraagd te adviseren over deze onderwerpen en andere onderwerpen die van belang zijn voor patiënten.

Toegelaten
Binnen de zorg gelden de aanvullende regels voornamelijk voor organisaties die zorg aanbieden die voor vergoeding door verzekeraars in aanmerking komt. In dat geval dient de zorgaanbieder te worden aangemerkt als ‘toegelaten instelling’. Bij het toekennen van een toelating wordt gekeken of uw organisatie voldoet aan de vereiste bestuursstructuur en bedrijfsvoering. Deze voorwaarden gelden ongeacht of er sprake is van een stichting of vereniging, of zelfs mogelijk een bv of coöperatie. Daarnaast zijn de voorwaarden afhankelijk van het type zorg dat u aanbiedt. Organisaties voor medisch specialistische zorg, persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding, en zorginstellingen met meer dan vijftig werknemers (organisaties met een ondernemingsraad (OR)), moeten in ieder geval een raad van toezicht instellen.

Complex
Het onderwijs kent vele verschillende wetten, besluiten en governance codes, resulterend in een complexe onderwijswet- en regelgeving. Binnen het onderwijsrecht wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende onderwijssectoren: het primair en voortgezet onderwijs (po/vo), het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en het hoger onderwijs (ho). De laatstgenoemde sector bestaat uit de hogescholen en universiteiten. Elke onderwijssector kent eigen wetgeving en governance codes. Nederland maakt daarnaast onderscheid tussen openbaar onderwijs enerzijds en bijzonder onderwijs anderzijds. Op basis van de Grondwet is de Nederlandse overheid verplicht om openbaar onderwijs aan te bieden aan eenieder. Daarnaast heeft iedereen het recht om zelf onderwijs te geven; dit is het bijzonder onderwijs. Als een organisatie met bijzonder onderwijs echter in aanmerking wil komen voor overheidsfinanciering, zal er aan een aantal regels voldaan moeten worden. Bijzonder onderwijs is daarom veelal ondergebracht in een stichting. Verenigingen komen ook voor, zij het in een veel mindere mate.

Inspraak in het onderwijs
Ook in het onderwijs speelt de inspraak van belanghebbenden een belangrijke rol. Het gaat hier om werknemers, leerlingen/ouders (po en vo) en studenten (mbo en ho). Hoewel er kleine verschillen zijn tussen de verschillende onderwijssectoren, hebben medezeggenschapsraden belangrijke adviesrechten bij bijvoorbeeld een inkrimping of uitbreiding van uw organisatie. Ook in geval van een (mogelijke) fusie hebben medezeggenschapsraden veel inspraak.

Toezicht
In de onderwijssector is het extern toezicht in handen van de onderwijsinspectie. Beschikt uw organisatie over goed intern toezicht dat de kwaliteit van het onderwijs bevordert, dan is er minder extern toezicht nodig. Sinds 2011 is het daarom verplicht voor alle organisaties in de onderwijssector om een scheiding binnen de organisatie aan te brengen tussen bestuur en toezicht. Een aparte raad van toezicht is niet verplicht; ook een ‘raad van beheer’-model is toegestaan. Hierbij is er sprake van één bestuur, bestaande uit niet-uitvoerende bestuurders (algemeen bestuur) die toezicht houden op de uitvoerende bestuurders (dagelijks bestuur).

Misstanden
Woningcorporaties hebben de afgelopen jaren volop in de publieke belangstelling gestaan. Ernstige misstanden hebben er mede toe geleid dat de politiek heeft ingegrepen met aangescherpte wet- en regelgeving. Veruit de meeste woningcorporaties hebben de rechtsvorm van een stichting; een enkele corporatie is ondergebracht in een vereniging. Andere rechtsvormen zijn voor een woningcorporatie niet toegestaan. De regels voor de organisaties in de volkshuisvesting zijn zeer strikt en bieden minder keuzeruimte, dan voor organisaties in de zorg of het onderwijs. Iedere woningcorporatie is verplicht om een aparte raad van toezicht in te stellen, bestaande uit drie of meer commissarissen. Bestuurders van uw woningcorporatie worden benoemd, geschorst en ontslagen door deze raad. Daarnaast is het de taak van de raad om zelf de commissarissen te benoemen (coöptatie). Deze regels gelden zowel bij een stichting als een vereniging; de bevoegdheid van de algemene ledenvergadering is bij een woningcorporatie in de vorm van een vereniging dus beperkter dan bij een normale vereniging.

Meer duidelijkheid over bestuur en toezicht organisatie
Voor alle stichtingen en verenigingen zal er een wettelijke grondslag voor een toezichthoudend orgaan komen. Op dit moment is namelijk het wetsvoorstel ‘Bestuur en toezicht rechtspersonen’ in behandeling bij de Tweede Kamer. Daarnaast zal er door de wetswijziging meer duidelijkheid komen over de taken van bestuurders en toezichthouders en hun aansprakelijkheid. Het wetsvoorstel brengt geen wijziging mee in bestaande bestuursstructuren, maar bevat vooral een verduidelijking. Het voorstel geldt voor alle stichtingen en verenigingen, ook degenen die actief zijn in de zorg, het onderwijs en de volkshuisvesting.

Specifiek
Het voorgaande is slechts een opsomming van een aantal aandachtspunten van de specifieke aanvullende wet- en regelgeving voor de zorg-, onderwijs en huisvestingssector. Veel zal echter afhangen van de omstandigheden van het specifieke geval. Indien u actief bent of van plan bent om een organisatie binnen één van deze sectoren te beginnen, houd er dan rekening mee dat het niet zal volstaan om enkel de wetgeving voor ‘gewone’ stichtingen en verenigingen in acht te nemen.

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr Drs R.X.J. (Xander) Blokzijl of Mr D.H. (Dieuwertje) Rip.

Dit artikel is tevens verschenen in het tijdschrift voor non-profitorganisaties Bestuur Rendement 2017-5, mei 2017.

actueel_pand2