Bij het sluiten van kredietovereenkomsten worden vaak door kredietnemers zekerheden afgegeven. In de huidige economische onzekere tijden doet u er verstandig aan te beoordelen of de door uw debiteuren af te geven zekerheden daadwerkelijk voldoende zekerheid bieden. Veel ondernemers realiseren zich niet bij het bedingen van een pandrecht op de vorderingen op debiteuren dat men onder omstandigheden afhankelijk kan zijn van derden. Zo kan het zijn dat in de relatie tussen uw debiteur en een derde algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard die voor u nadelig kunnen uitpakken. In diverse algemene voorwaarden is een bepaling opgenomen waarvan de strekking is dat vorderingen niet mogen worden gecedeerd alsook niet mogen worden verpand (cessieverbod respectievelijk verpandingsverbod).
De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld dat een dergelijk beding tot gevolg heeft dat een eventuele overdracht of verpanding van een vordering niet rechtsgeldig tot stand komt.
Het feit dat in de algemene voorwaarden een verbod tot overdracht en/of verpanding is opgenomen wil niet altijd zeggen dat u met lege handen staat. Uit de rechtspraak blijkt dat onder omstandigheden een beroep kan worden gedaan op derdenbescherming (3:36 BW). In de wet is opgenomen dat men in sommige gevallen mag afgaan op verklaringen of gedragingen van derden. Een dergelijk beroep heeft slechts een kans van slagen indien uw debiteur de schijn heeft opgewekt dat wel degelijk zijn of haar vorderingen verpand of overgedragen mochten worden.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr R. (Roel) Slotboom (via nummer 010 - 2770465 of per e-mail slotboom@schaap.eu) of Mr F. (Fatih) Duygu (via nummer 010 - 2770465 of per e-mail duygu@schaap.eu).