Bestemmingsplan en exploitatieplan

Onderstaande uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) betreft de vaststelling door de gemeenteraad van Deventer van het bestemmingsplan en exploitatieplan 'Bedrijvenpark A1'. Het plan maakt een nieuw bedrijventerrein mogelijk in het voornamelijk agrarische gebied tussen de rijksweg A1 en het dorp Epse. De Vereniging Woonmilieu Epse (VWE), een vastgoedbedrijf, Ontwikkelings Maatschappij Apeldoorn (OMA) en twee projectontwikkelaars zijn tegen het bestemmingsplan en het exploitatieplan in beroep gekomen bij de Afdeling. VWE en OMA betwijfelen nut en de noodzaak van het nieuwe bedrijventerrein. De twee projectontwikkelaars zijn het vooral niet eens met de verrekening van de kosten van het bestemmingsplan in het exploitatieplan. 

Ontvankelijkheid
De gemeenteraad is van mening dat VWE niet-ontvankelijk is in haar beroep, omdat zij niet als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. De feitelijke werkzaamheden van de vereniging richten zich volgens de gemeenteraad uitsluitend of hoofdzakelijk op het in rechte opkomen in procedures tegen het Bedrijvenpark A1 en de voorbereiding hiervan. De Afdeling gaat niet in dat standpunt mee.

Een belanghebbende is degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken (artikel 1:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Ingevolge artikel 1:2, lid 3, worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld Afdeling 1 oktober 2008, zaaknr. 200801150) wordt bij de belanghebbendheid van een vereniging of stichting getoetst of deze een algemeen of collectief belang behartigt dat rechtstreeks bij de besluiten is betrokken. Het louter in rechte opkomen tegen besluiten, alsmede het verrichten van handelingen ter voorbereiding van het in rechte opkomen tegen besluiten, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

In dit geval woont een aantal leden van de vereniging in of in de directe nabijheid van het bestemmingsplangebied. Indien dat zo is, heeft de Afdeling volgens inmiddels eveneens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Afdeling 13 april 2011, zaaknr. 200905023), uitgemaakt dat een dergelijke vereniging door het optreden in rechte een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand brengt, waarmee een effectieve rechtsbescherming gediend kan zijn, in vergelijking met het afzonderlijke optreden van individuele natuurlijke personen die door het bestreden besluit rechtstreeks in hun belangen worden getroffen. In de door de vereniging tot stand gebrachte bundeling van deze individuele belangen, kunnen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten worden geacht. Gelet daarop is de vereniging naar het oordeel van de Afdeling wel degelijk belanghebbende bij het bestreden besluit.

Bestemmingsplan
Vervolgens gaat de Afdeling in op de inhoud van de beroepschriften. Wat de meeste beroepsgronden betreft, komt de Afdeling tot het oordeel dat deze niet leiden tot vernietiging van het bestemmingsplan: zij zijn ongegrond of de appellant is niet-ontvankelijk. De Afdeling oordeelt wel dat de gemeenteraad het plandeel met de bestemming “Kantoor” heeft vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De beroepen van onder anderen de VWE zijn in zoverre gegrond en het bestemmingsplan wordt op dat punt vernietigd. 

Exploitatieplan
De gedeeltelijke vernietiging van het bestemmingsplan heeft tot gevolg dat de Afdeling het gehele exploitatieplan vernietigt. 

Het beroep van VWE tegen het exploitatieplan mag voor dat oordeel niet baten: nu de vereniging in het exploitatieplangebied geen gronden in eigendom heeft, terwijl met haar ook geen exploitatieovereenkomst is gesloten en ook anderszins niet is gebleken van belangen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de desbetreffende delen van het exploitatieplan, kan de vereniging naar het oordeel van de Afdeling niet als belanghebbende worden aangemerkt. 

Commentaar
Bij dat oordeel van de Afdeling vallen twee zaken op.

Ten eerste: waar de Afdeling voor haar oordeel over de vraag of de vereniging als belanghebbende kan worden aangemerkt voor het bestemmingsplan wél kijkt naar de individuele belangen van de leden van de vereniging, lijkt zij die individuele belangen niét mee te nemen in haar oordeel over de vraag of de vereniging als belanghebbende voor het exploitatieplan kan worden beschouwd. Uit eerdere rechtsoverwegingen (zie rov. 2.4) blijkt immers dat een aantal leden van de vereniging wel in het plangebied woont. Het zou echter kunnen dat deze personen wel in het plangebied wonen, maar geen eigenaar van gronden binnen het plangebied zijn.

Ten tweede oordeelt de Afdeling dat niet is gebleken van belangen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van de desbetreffende delen van het exploitatieplan. Dat impliceert dat, voor de vraag of iemand die geen eigenaar is van gronden binnen het exploitatiegebied en met wie geen exploitatieovereenkomst is gesloten alleen als belanghebbende kan worden aangemerkt indien hij een rechtsreeks belang heeft met betrekking tot die delen van het exploitatieplan waartegen het beroep zich richt. Voor de belanghebbendheid kijkt de Afdeling dan dus niet naar het gehele besluit van het exploitatieplan, maar naar de delen van dat plan waartegen het beroep zich richt. Dat is een andere positie dan die van eigenaar of partij bij een exploitatieovereenkomst: ben je eigenaar van of heb je een exploitatieovereenkomst over een klein gedeelte van het gebied van het exploitatieplan, dan kun je in beroep tegen het gehele plan, ook voor delen die buiten jouw eigendom of overeenkomst liggen (artikel 8.2, lid 5 Wet ruimtelijke ordening (Wro)). 

Buiten de niet belanghebbende vereniging is er in dit geval wel een belanghebbende (eigenaar) die beroep heeft ingesteld tegen het exploitatieplan, zodat de Afdeling toch aan een inhoudelijke behandeling toekomt en, als gezegd, komt tot een vernietiging van het gehele exploitatieplan. Hieronder zijn twee aspecten van het inhoudelijke deel van de uitspraak uitgewerkt: de gehele vernietiging van het exploitatieplan en de gedeeltelijke vernietiging van het bestemmingsplan.

Vernietiging exploitatieplan
De Afdeling overweegt, conform vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld Afdeling 30 juni 2010, zaaknr. 200901350) dat tussen een bestemmingsplan en een gelijktijdig vastgesteld exploitatieplan een samenhang bestaat die onder meer is af te leiden uit de artikelen 6.12 en 8.3, derde lid, van de Wro en uit de functie van het exploitatieplan voor de verwezenlijking van het bestemmingsplan. Gelet op deze samenhang tussen beide plannen, alsmede gelet op de samenhang dit in het onderhavige geval bestaat tussen de verschillende onderdelen van het exploitatieplan, dient in dit geval naar het oordeel van de Afdeling ook het gehele exploitatieplan te worden vernietigd.

Indien het bestemmingsplan wel (deels) was vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand waren gelaten, was het exploitatieplan waarschijnlijk niet vernietigd. Die situatie deed zich voor in een uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011, zaaknr. 200909261. Ook wanneer de vernietiging van het bestemmingsplan onderdelen betreft waardoor de kostensoorten, het kostenniveau en de opbrengstpotenties niet veranderen, hoeft vernietiging van het exploitatieplan niet plaats te vinden. Er zijn dan immers geen gevolgen voor de exploitatiebijdragen. Zie ook Afdeling 10 augustus 2011, zaaknr. 200907149 en de noot van E.J. van Baardewijk in BR 2011/159.

De Afdeling oordeelt dat zij geen aanleiding ziet als gevolg van de vernietiging van het gehele exploitatieplan het gehele bestemmingsplan te vernietigen. Ook dit is vaste jurisprudentie sinds de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011, zaaknr. 200904489, LJN: BP3699. Hierbij wordt verwezen naar TBR 2011/66 (m.nt. J.B. Mus) BR 2011/87 (m.nt. E.J. van Baardewijk en M. Fokkema).

Aardig is tot slot dat de Afdeling een aantal overwegingen wijdt aan het nieuw te nemen besluit over het exploitatieplan. Daarmee kan de gemeenteraad bij het nemen van dat besluit vast rekening houden. De overwegingen hebben onder meer betrekking op de vereiste onafhankelijkheid van de taxateur bij de raming van de inbrengwaarden (zie ook Afdeling 9 februari 2011, zaaknr. 200907364). Ook de mate van inzicht in de taxatierapporten en de te ruime afmeting voor het voor waterretentie benodigde oppervlak worden genoemd.

Voor de volledige tekst van deze uitspraak:
ABRvS 11 januari 2012, zaaknr.: 201000661/1/R3, LJN: BV0602

Commentaar op de uitspraak en op andere aangelegenheden inzake het bouwrecht is tevens te vinden op http://www.ibr.nl

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr A.J.N. (Hanneke) Kolsters (via nummer 010 - 2770495 of per e-mail kolsters@schaap.eu) of Mr E. (Ellen) Lohr-Henket (via nummer 010 - 2770495 of per e-mail lohr@schaap.eu).

26-1-2012