Onlangs zette de Hoge Raad in het arbeidsrecht een stap in de richting van wat in de toekomst mogelijk een risicoaansprakelijkheid voor de werkgever zou kunnen worden.
In twee arresten bepaalde de Hoge Raad[1], dat de werkgever op grond van zijn verplichting - ex artikel 7:611 BW - om zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers van wie de werkzaamheden ertoe kunnen leiden, dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval. De Hoge Raad oordeelde in voornoemde arresten, dat indien de werkgever tekort schiet in deze zogenaamde verzekeringsplicht, hij jegens de werknemer aansprakelijk is voor zover deze door die tekortkoming schade heeft geleden. Per geval zal de omvang van deze verzekeringsplicht vastgesteld moeten worden. In het bijzonder zal hierbij volgens de Hoge Raad betekenis toekomen aan de bestaande verzekeringsmogelijkheden en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen. Tevens is hierbij van belang of de verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Logischerwijs hoeft de verzekering geen dekking te verlenen voor schade die het gevolg is van bewuste roekeloosheid of opzet van de werknemer.
Onlangs zag de Hoge Raad zich voor de vraag gesteld of een dergelijke verzekeringsplicht ook bestaat ten aanzien van werknemers die te voet of per fiets in de uitoefening van hun werkzaamheden aan het verkeer deelnemen.[2] De Hoge Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Want, zo oordeelt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.6.4:
"(...) dat geen rechtvaardiging bestaat om ten aanzien van de positie van werknemers die in de uitoefening van hun werkzaamheden zich in het verkeer begeven en als gevolg van een meerzijdig of eenzijdig verkeersongeval schade lijden, onderscheid te maken tussen hen die een motorvoertuig en hen die een ander (niet-gemotoriseerd) voertuig, zoals een fiets, besturen. Evenmin gerechtvaardigd is het maken van onderscheid tussen deze groepen van werknemers en werknemers die in de uitoefening van hun werkzaamheden als voetganger aan het verkeer deelnemen en daarbij schade lijden als gevolg van een ongeval waarbij een voertuig is betrokken. In al deze gevallen gaat het immers om risico's die zijn verbonden aan de deelneming aan het verkeer op de weg, waarvan algemene bekendheid is dat zij voor met name fietsers en voetgangers een bijzondere kwetsbaarheid meebrengt ten opzichte van aan het verkeer deelnemende (andere) voertuigen. "
De Hoge Raad merkt hierbij nog op, dat niet anders geoordeeld dient te worden ten aanzien van schade die werknemers lijden ten gevolge van dergelijke verkeersongevallen die niet op de openbare weg, maar op de arbeidsplaats plaatsvinden.
Al het voornoemde brengt met zich mee, dat de werkgever wier werknemers in de uitoefening van hun werkzaamheden te voet, per fiets of auto aan het verkeer deelnemen er verstandig aan doet een gedegen verzekering hiertoe af te sluiten.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr M.A. (Michel) T Schroots. U kunt hem telefonisch (via nummer 010 - 2770319) of per e-mail (schroots@schaap.eu) bereiken.
[1] HR 1 februari 2008, JAR 2008/56 en HR 1 februari 2008, JAR 2008/57
[2] HR 12 december 2008, JAR 2009/15.