Inleiding
In het hierna volgende ga ik in op de mogelijke gevolgen verbonden aan het nemen van een besluit tot ontbinding van een rechtspersoon met als oogmerk het benadelen van de belangen van schuldeisers.
Ontbinding
De wet geeft een aan hoe een rechtspersoon wordt ontbonden. Een veel voorkomende wijze van ontbinding van een rechtspersoon bestaat uit de afwikkeling van het faillissement van die rechtspersoon. Ook de ontbinding als gevolg van een beslissing van de kamer van koophandel komt zeer regelmatig voor. De kamer van koophandel kan er toe overgaan een dergelijk besluit te nemen indien de jaarlijkse bijdrage voor de kamer van koophandel niet wordt voldaan en er geen bestuurder meer bekend is, de jaarrekening niet meer wordt gedeponeerd of er geen aangifte vennootschapsbelasting wordt gedaan. Veel rechtspersonen worden echter ontbonden als gevolg van een hiertoe strekkend besluit van de algemene vergadering of het bestuur van de rechtspersoon.
De gebruikelijke gang van zaken na een ontbindingsbesluit is dat een vereffenaar wordt aangesteld. De vereffenaar zal zich bezig moeten gaan houden met het verdelen van de baten over de crediteuren. Indien er onverhoopt meer schulden dan baten zijn, is de vereffenaar verplicht hiervan opgave te doen bij de rechtbank om zo tot het faillissement van de rechtspersoon te komen. De wet geeft echter aan dat benoeming van een vereffenaar niet nodig is indien er geen baten zijn. Dat lijkt ook vanzelfsprekend. Indien er niets te verdelen valt, behoeft er ook geen persoon te worden benoemd op wie de taak rust juist tot die verdeling over te gaan. Een rechtspersoon die geen baten meer heeft, houdt direct op te bestaan.
Bij het nemen van het ontbindingsbesluit moet al nagegaan worden of zich de situatie voordoet dat er sprake is van baten (zodat een vereffenaar moet worden benoemd) of er in het geheel geen activa zijn (als gevolg waarvan de rechtspersoon meteen ophoudt te bestaan). Die baten hoeven niet te bestaan uit zaken als voorraad of inventaris. Een – mogelijke – vordering van de rechtspersoon op haar bestuurder wordt óók gezien als een bate. Soms zijn er echter geen baten maar wel schulden. Mag dan ook het benoemen van een vereffenaar achterwege worden gelaten?
In de rechtspraak wordt verschillend gedacht over het antwoord op deze vraag. Er wordt wel aangenomen dat de situatie van géén baten maar wel schulden wel degelijk noodzaakt tot het benoemen van een vereffenaar, nu in de wet is opgenomen dat een vereffenaar tot aangifte van het faillissement moet overgaan indien hij / zij na de benoeming tot vereffenaar constateert dat er meer schulden dan baten zijn (en indien de overige schuldeisers niet instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement). Indien de situatie van geen baten maar wel schulden zich voordoet zou dit derhalve in vrijwel alle gevallen automatisch betekenen dat uiteindelijk een curator wordt aangesteld.
Het is de vraag of de juiste weg is. De hiervoor, in de wet vermelde, situatie is aan de orde indien er wel activa zijn, maar deze zijn niet voldoende om alle schulden te voldoen. Indien er in het geheel geen activa zijn, lijkt vereffening zinloos.
Deze makkelijke manier om tot beëindiging van een rechtspersoon te komen kan aanleiding zijn tot misbruik. In sommige gevallen wordt een besluit tot ontbinding genomen met het oog op een ‘ lastige’ crediteur. Doel is dan er voor te zorgen dat de crediteur met verdere incasso stopt en met lege handen komt te zitten. Om dit doel te bereiken worden in de voorbereiding op het te nemen ontbindingsbesluit de eventuele activa van de rechtspersoon vervreemd. Aldus kan ten tijde van het besluit met droge ogen worden beweerd dat er geen activa meer zijn (en dus geen vereffenaar moet worden benoemd). Niet alleen zou in dat geval de crediteur met lege handen achterblijven, er is een tweede ‘ voordeel’. Nu de rechtspersoon direct is opgehouden te bestaan, bestaat er ook geen risico dat in een later stadium nog een curator om de hoek zal komen te kijken. Dit kan met name een rol spelen indien het bestuur van de rechtspersoon vermoedt dat een curator mogelijk kritiek op hun rol als bestuurders zou kunnen hebben.
Een degelijk ontbindingsbesluit kan echter onrechtmatig blijken te zijn jegens de bewuste crediteur en de betrokkenen die het besluit hebben genomen schadeplichtig maken.
De grens tussen een besluit dat de toetst der kritiek wél kan doorstaan en een besluit waarbij dit niet het geval is, is vaag. Indien echter een besluit wordt genomen met als doel de bewuste crediteur ‘dwars te zitten’ en/of te voorkomen dat bij een eventueel faillissement de curator grondig onderzoek zou doen naar – bijvoorbeeld – bestuurdersaansprakelijkheid, dan lijkt er sprake te zijn van onrechtmatig handelen door het ontbindingsbesluit te nemen.
Conclusie
Indien de ontbinding van de rechtspersoon wordt bewerkstelligd met uitsluitend het doel te voorkomen dat een crediteur verhaal kan nemen voor zijn of haar vordering of met het doel te voorkomen dat een curator bestuurders gaat aanspreken, is de kans groot dat het ontbindingsbesluit niet het gewenste gevolg heeft. De betrokken crediteur heeft mogelijkheden om degenen die het besluit hebben genomen aan te spreken dan wel alsnog het faillissement van de rechtspersoon aan te vragen.
Voor het geval dat er sprake is van ‘normale’ situatie waarin een rechtspersoon slechts schulden heeft en in het geheel geen baten en zich geen bijzondere omstandigheden voordoen lijkt een ontbindingsbesluit, waarbij wordt afgezien van het benoemen van een vereffenaar, gewoon genomen kunnen worden.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr R. (Roel) Slotboom (via nummer 010 - 2770465 of per e-mail slotboom@schaap.eu).