De Raad van State heeft in een uitspraak van 17 maart 2010 beoordeeld of een gemeente terecht een tijdelijke bouwvergunning en ontheffing heeft verleend. De maatschappelijke relevantie van deze tijdelijke besluiten mag niet worden onderschat. Deze zijn immers noodzakelijk voor bijvoorbeeld de volgende situaties:
Voor dergelijke bouwwerken zijn tijdelijke bouwvergunningen (artikel 45 Woningwet) nodig. De aannemer, het schoolbestuur en de ondernemer moeten voor de bouwkeet, containers, noodlokalen en noodbarakken een bouwvergunningaanvraag indienen. Een aanvraag voor een tijdelijke bouwvergunning moet worden getoetst aan het bestemmingsplan. Het College van Burgemeester en Wethouders (het College) zal om de tijdelijke bouwvergunning mogelijk te maken veelal een tijdelijke ontheffing van het bestemmingsplan moeten verlenen (artikel 3:22 Wro). Deze tijdelijke ontheffing is sinds de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 1 juli 2008) de ´opvolger´ van de tijdelijke vrijstelling op grond van artikel 17 Wet Ruimtelijke Ordening (WRO).
Maximaal vijf jaren
Zodra er sprake is van een “tijdelijke behoefte” kan het College een tijdelijke ontheffing verlenen. Zowel in het geval van de tijdelijke bouwvergunning als de tijdelijke ontheffing, is de termijn waarbinnen het bouwwerk weer moet worden verwijderd ten hoogste vijf jaren na plaatsing. Deze termijn kan niet worden verlengd. De vergunninghouder is verplicht na deze termijn de situatie in oorspronkelijke toestand te herstellen of in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan (artikel 3.22 lid 3 Wro).
Tijdelijkheid voldoende gewaarborgd
Geschillen over tijdelijke ontheffingen hebben vrijwel altijd betrekking op de vraag of de tijdelijkheid voldoende is gewaarborgd. Hoe kan aan omwonenden worden gegarandeerd dat de noodlokalen daadwerkelijk na verloop van vijf jaren worden verwijderd? Moet de tijdelijkheid van het te vergunnen tijdelijke bouwwerk vooraf vast komen te staan?
Uitspraak Raad van State
Een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Raad van State) van 17 maart 2010 geeft aan hoe de tijdelijkheid kan worden beoordeeld.
Het College van de gemeente Deventer heeft een tijdelijke ontheffing en bouwvergunning verleend voor een tijdelijk schoolgebouw. Op grond van artikel 3:24 Wro kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de rechtbank tegen het besluit van het College en vervolgens tegen de uitspraak in hoger beroep bij de Raad van State gaan.
Het tijdelijk schoolgebouw is bedoeld om de tijd te overbruggen totdat het nieuwe schoolgebouw zal zijn gerealiseerd. Het College heeft aangegeven dat de bouw van de school in 2013 zal starten op een nog te bepalen locatie en dat gestreefd wordt naar tijdige oplevering zodat niet langer dan vijf jaren gebruik van de tijdelijke school zou worden gemaakt. De Raad van State oordeelt:
Weliswaar heeft het college hiermee aannemelijk gemaakt dat het schoolgebouw tijdelijk is, maar de voorzieningenrechter heeft op grond van de omstandigheden die hem ten tijde van het nemen van de aangevallen uitspraak bekend waren, terecht overwogen dat onvoldoende aannemelijk is dat de noodschool niet langer dan vijf jaar op het perceel aanwezig zal zijn. Het standpunt van het college was slechts gebaseerd op intenties en verwachtingen.
De rechtbank had volgens de Raad van State een juiste beslissing genomen door de tijdelijke ontheffing te vernietigen. De tijdelijkheid moet worden aangetoond; het College heeft dat nagelaten. Intenties van de vergunninghouder zijn niet voldoende. Dat de vergunninghouder de plicht heeft om na vijf jaren het perceel in oude staat te herstellen of aan te passen aan het bestemmingsplan, maakt dat niet anders.
Toch heeft de Raad van State de eerder verleende tijdelijke ontheffing, na vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, in stand gelaten. Twee besluiten zijn daarvoor van belang. Na de uitspraak heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan, dat het nieuwe schoolgebouw mogelijk zal maken, ter inzage gelegd. De gemeentelijke commissie onderwijshuisvesting heeft voorts ingestemd met de nieuwbouw. Daarmee heeft het College alsnog aannemelijk gemaakt dat de bouw in 2013 begint en vóór aanvang van het schooljaar 2014/2015 in gebruik kan worden genomen. Vervolgens kan het tijdelijke schoolgebouw worden verwijderd. Hiermee is de tijdelijkheid voldoende gewaarborgd, zo meent de Raad van State.
Conclusie
De tijdelijkheid van de tijdelijke ontheffing moet voldoende worden gewaarborgd. Dat hetgeen door de tijdelijke ontheffing mogelijk wordt gemaakt ook daadwerkelijk weg is na vijf jaren, moet bij het nemen van het tijdelijke ontheffingsbesluit worden aangetoond. Meestal dient tijdelijke bouw ter overbrugging van de periode totdat nieuwbouw is gerealiseerd. Kan aannemelijk worden gemaakt, dat de nieuwbouw gereed zal zijn binnen vijf jaren, dan is de tijdelijkheid daarmee wel een gegeven. Dat kan het College onder meer doen door te verwijzen naar een ontwerp bestemmingsplan (behoeft geen onherroepelijk bestemmingsplan te zijn!) of naar een ander voor de bouw noodzakelijk besluit.
Staat een tijdelijk bouwwerk er overigens na vijf jaren nog, dan kan de gemeente de vergunninghouder of diens rechtsopvolger aanschrijven tot verwijdering van het tijdelijke bouwwerk, op straffe van verbeurte van een dwangsom, of na een bestuursdwangaanschrijving zelf overgaan tot verwijdering, op kosten van de vergunninghouder of diens rechtsopvolger. De gemeente is daartoe (in beginsel) verplicht, zodat een partij die hinder ondervindt van de aanwezigheid van een tijdelijk bouwwerk er goed aan doet de gemeente schriftelijk te verzoeken handhavend op te treden.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr A.J.N. (Hanneke) Kolsters (via nummer 010 - 2770495 of per e-mail kolsters@schaap.eu) of Mr R. (Remco) Smith (via nummer 010 - 2770437 of per e-mail smith@schaap.eu).