Voorbehouden in het kader van onderhandelingen

Regelmatig worden in het kader van onderhandelingen door (één van de) partijen voorbehouden gemaakt, waarmee de totstandkoming, danwel het van kracht worden of blijven van een overeenkomst afhankelijk wordt gesteld van het intreden van een bepaalde omstandigheid. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het voorbehoud dat een overeenkomst slechts geacht moet worden totstand te zijn gekomen als deze schriftelijk is vastgelegd (“subject to contract”), als de overeenkomst door beide partijen is ondertekend (“subject to signature”), als de overeenkomst door de raad van bestuur is goedgekeurd of als een voor het nakomen van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen noodzakelijke financiering kan worden verkregen. 

In de literatuur en jurisprudentie worden dergelijke voorbehouden op verschillende manieren uitgelegd, variërend van (i) voorbehouden die zolang de voorbehouden omstandigheid niet intreedt, aan het ontstaan van contractuele gebondenheid in de weg staan, tot (ii) opschortende of ontbindende voorwaarden op grond waarvan de overeenkomst na totstandkoming daarvan, door het intreden van de voorbehouden omstandigheid haar werking pas verkrijgt of juist verliest. 

Vooral ingeval voorbehouden als hiervoor bedoeld onder (i) in een vroeg stadium van de onderhandelingen door een partij worden gemaakt, is, indien die partij zich ook in een later stadium van de onderhandelingen of zelfs na ondertekening door partijen van een (romp)overeenkomst daarop wil kunnen blijven beroepen, het van belang dat het voorbehoud steeds wordt herhaald, althans telkens duidelijk wordt gemaakt dat geen definitieve gebondenheid ontstaat zolang de voorbehouden omstandigheid niet is ingetreden. 

Dat bleek recent weer in het door de Hoge Raad in zijn arrest van 5 maart 2010 (LJN: BL0011, Hoge Raad 08/01308) beoordeelde geval, waarin één van de partijen in het kader van onderhandelingen over een projectontwikkelingsovereenkomst in de beginfase een voorbehoud had gemaakt met betrekking tot de juridische en economische haalbaarheid van het project. Vervolgens ondertekenden partijen een (romp)overeenkomst, ondanks het feit dat nog niet over alle onderdelen van de betreffende projectontwikkeling duidelijkheid bestond. Na de ondertekening beriep één van de partijen zich op het voorbehoud en stelde dat er nog géén definitieve en onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand was gekomen. Omdat werd vastgesteld dat het voorbehoud bij de ondertekening van de overeenkomst geen rol meer had gespeeld, is door de rechter geoordeeld, dat wèl sprake was van een definitieve en onvoorwaardelijke overeenkomst en dat de partij die zich aanvankelijk op het voorhoud had beroepen toerekenbaar was tekortgeschoten in de nakoming van de voor haar uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen en op grond daarvan aansprakelijk was voor de als gevolg daarvan door de wederpartij geleden schade. 

Zorgt u er daarom voor dat, indien u in onderhandeling bent en u niet definitief contractueel wenst te binden zolang nog niet over alle onderdelen van het contractsonderwerp duidelijkheid bestaat en/of zolang bepaalde omstandigheden zich nog niet hebben voorgedaan, u ter zake daarvan een duidelijk voorbehoud maakt, en dat voorbehoud ook telkens duidelijk herhaalt. Indien u ook na ondertekening van de (romp)overeenkomst u op het voorbehoud wilt kunnen blijven beroepen, is het raadzaam het voorbehoud expliciet in het contract te laten opnemen als opschortende of ontbindende voorwaarde. 

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr W.L. (Willem) Stolk via nummer 010 – 2770450 of per e-mail stolk@schaap.eu.

13-10-2010