Stel: u bent ondernemer en u bent ten behoeve van uw onderneming een kredietrelatie aangegaan met uw bank. De economische crisis is ook aan uw adres niet voorbijgegaan en u verkeert in zwaar weer. Toch bent u vastberaden genoeg om te overleven en meent u juist bij economisch noodweer op uw financiële paraplu te mogen rekenen. Dan valt er opeens een brief van uw bank op de mat. Hierin geeft uw bank u te kennen, dat zij gezien uw financiële situatie uw krediet na drie maanden zullen opzeggen. Dit heeft tot gevolg dat de kans op een faillissement van uw onderneming flink is toegenomen, omdat u in liquiditeitsproblemen dreigt te raken. Is dit geoorloofd?
Om te beginnen staat voor de bank inderdaad de mogelijkheid open om het krediet tussentijds op te zeggen. De Nederlandse Vereniging van banken heeft namelijk in artikel 27 van de Algemene bankvoorwaarden (ABV) bepaald, dat wanneer de cliënt in verzuim is, zij het krediet mag opzeggen. In diezelfde voorwaarden is echter ook een zorgplicht voor de bank aangenomen (artikel 2). De zorgplicht wordt bevestigd in de rechtspraak, omdat een bank een belangrijke maatschappelijke positie wordt toegedicht. De vraag is hoe ver deze zorgplicht dient te reiken? De zorgplicht kan beschouwd worden als een weegschaal waarbij de belangen van de cliënt tegenover die van de bank dienen te worden afgewogen. Hoe dit in de praktijk wordt ingevuld wordt duidelijk aan de hand van een aantal rechterlijke beslissingen.
Het Hof Arnhem (18 februari 2003, LJN: AF5233) heeft in 2003 een nog steeds actuele beslissing gegeven waarin zij heeft opgesomd welke omstandigheden een rol spelen bij de overweging of een opzegging van krediet (on)geoorloofd is. In deze casus was in de overeenkomst opgenomen, dat de bank op ieder moment de kredietovereenkomst mocht opzeggen. De bank heeft i.c. van deze optie gebruikgemaakt. Het Hof Arnhem stak hier echter een stokje voor en oordeelde dat de redelijkheid en billijkheid tevens moesten worden meegewogen om tot een dergelijk besluit te komen. Daarbij moet een dergelijk besluit voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De proportionaliteit brengt met zich mee dat de bank niet tot opzegging van krediet mag overgaan, indien de winst die de bank met dit besluit behaalt, niet in verhouding staat tot het verlies van de wederpartij dat hiermee gepaard gaat. De eis van subsidiariteit brengt met zich, dat deze maatregel slechts toegepast zou moeten worden als ‘ultimum remedium’.
In de beslissing van het Hof Arnhem is aangegeven dat gekeken moet worden naar alle omstandigheden van het geval. In rechtsoverweging 4.31 wordt het Hof concreet en worden een aantal punten opgesomd die van invloed moeten zijn op de beslissing van de bank. Dit zijn:
Ondanks deze uitspraak zijn banken nog regelmatig over de schreef gegaan bij het opzeggen van kredietrelaties. Zo heeft de Voorzieningenrechter ’s-Hertogenbosch (3 april 2003, 93385/KG ZA 03-229) zich niet veel later gebogen over een situatie waar een ondernemer zich bij zijn bank meldde met het verzoek of de bank tijdelijk de aanvullende kredietbehoefte wilde financieren wegens liquiditeitsproblemen. De bank zag hier geen brood in en besloot om het gehele krediet van haar cliënt op te zeggen. De rechter floot de bank hier echter terug en oordeelde zelfs dat de bank in dit geval het krediet moest verhogen!
Ook uit een uitspraak van de Rechtbank Arnhem (30 juni 2004, JOR 2004//283) blijkt, dat naast de juistheid van de belangenafweging de bank zich tevens zal moeten houden aan een gepaste procedure en een behoorlijke besluitvorming. Wanneer dit niet het geval is, kan dit voor de rechter meewegen in de beslissing omtrent de rechtmatigheid van het besluit.
Daarbij kan de bank niet onverwijld opzeggen, maar dient zij zich te houden aan een opzegtermijn. Deze termijn verschilt per geval en is afhankelijk van de omstandigheden. In sommige gevallen zou deze termijn kunnen oplopen tot een jaar (Hof ’s-Hertogenbosch, 9 september 2008, JOR 2009/52), terwijl in andere gevallen een opzegtermijn van 3 weken gerechtvaardigd is. Van belang bij deze afweging is of het risico van de bank gedurende die tijd aanmerkelijk toeneemt (Hof Arnhem, 5 augustus 2003, LJN: AI1095).
Tot de conclusie moet worden gekomen dat banken zeker niet over alle vrijheid beschikken om het krediet van hun cliënt op te zeggen. De specifieke omstandigheden zullen van geval tot geval de doorslag moeten geven. Hierbij moeten in ieder geval drie factoren in ogenschouw worden genomen. Ten eerste moet de belangenafweging als juist kunnen worden bestempeld. De redelijkheid en billijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit spelen hierbij een belangrijke rol. Het Hof Arnhem heeft op dit punt een bruikbaar overzicht gegeven van omstandigheden die hierbij van belang zijn.
Ten tweede dient tevens te worden meegewogen of de bank zich gehouden heeft aan een gepaste procedure en een behoorlijke besluitvorming. Tot slot zal de bank een in de omstandigheden van het geval redelijke opzegtermijn in acht moeten nemen.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr P.W. (Pieter) Tubbergen (via nummer 010 - 2770391 of per e-mail tubbergen@schaap.eu).
19-1-2011