Het Albron-arrest: overgang van onderneming en gedetacheerde werknemers binnen een concern

Inleiding

Het komt geregeld voor dat werknemers binnen een concern tewerkgesteld worden bij een andere vennootschap dan hun formele werkgever. Dit kan vragen oproepen indien de werkgever waar de werknemer feitelijk te werk is gesteld, activiteiten overdraagt aan een derde. De vraag doet zich dan voor of de gedetacheerde werknemer op basis van overgang van onderneming meegaat met de activiteiten. 

De heersende leer in Nederland was tot voor kort dat de bescherming van artikel 7:663 BW (In dit artikel is kort gezegd neergelegd dat bij een overgang van onderneming alle rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomsten die op dat moment bij de vervreemder bestonden over gaan op de verkrijger) slechts toekomt aan werknemers die een arbeidsovereenkomst hebben met de vervreemder en dus niet aan (al dan niet binnen een concern) gedetacheerde werknemers. In zijn arrest van 21 oktober jl. heeft het Europese Hof van Justitie zich, naar aanleiding van prejudiciële vragen van het Hof Amsterdam, over dit vraagstuk uitgesproken.

De feiten

De casus die tot deze vragen aanleiding gaf was de volgende. Binnen het Heineken concern zijn de werknemers in dienst van Heineken Nederland Beheer B.V. (hierna: “HNB”). HNB fungeert dus als centrale werkgever en detacheert werknemers bij afzonderlijke werkmaatschappijen van het Heineken concern in Nederland. 

De heer Roest was in dienst van HNB in de functie van medewerker van de afdeling catering. Hij was door HNB samen met andere werknemers gedetacheerd bij Heineken Nederland B.V. (hierna te noemen: “Heineken Nederland”), een vennootschap die tot 1 maart 2005 op verschillende locaties de catering voor het personeel van het Heineken-concern verzorgde. 

Op 1 maart 2005 zijn de door Heineken Nederland uitgeoefende cateringactiviteiten overgedragen aan Albron Catering B.V. (hierna: “Albron”). De heer Roest is vanaf 1 maart 2005 in dienst getreden bij Albron tegen ongunstigere arbeidsvoorwaarden. Van Heineken kreeg de heer Roest een vertrekpremie. 

Samen met het FNV heeft de heer Roest Albron voor de kantonrechter gedaagd teneinde vastgesteld te krijgen dat de overgang van de cateringactiviteiten van Heineken Nederland naar Albron een overgang van onderneming is in de zin van richtlijn 2001/23 EG en dat de werknemers in dienst van HNB, die bij Heineken Nederland waren gedetacheerd, vanaf 1 maart 2005 van rechtswege in dienst zijn getreden van Albron. De heer Roest vordert dat Albron met terugwerkende kracht tot 1 maart 2005 wordt veroordeeld de arbeidsvoorwaarden toe te passen die tot dan toe golden tussen HNB en de heer Roest. 

Albron stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomsten van de cateringmedewerkers niet op grond van artikel 7:663 BW (van rechtswege) waren overgegaan, nu deze werknemers een arbeidsovereenkomst hadden met HNB en niet met Heineken Nederland. De kantonrechter heeft de vorderingen van de heer Roest en het FNV toegewezen. Albron is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Gerechtshof te Amsterdamse heeft vervolgens prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie.

Het Europese Hof van Justitie

Het Hof maakt bij de beantwoording van de prejudiciële vragen onderscheid tussen de "contractuele werkgever" en de "niet-contractuele werkgever". De niet-contractuele werkgever is een tot een concern behorende onderneming waar werknemers permanent zijn tewerkgesteld, maar die niet als formele werkgever van deze werknemers kwalificeert. Deze niet-contractuele werkgever kan volgens het Hof als “vervreemder” in de zin van Richtlijn 2001/23 worden beschouwd, ongeacht het feit dat de formele werkgever een andere vennootschap binnen datzelfde concern is. 

Indien er binnen een concern twee werkgevers zijn aan te wijzen (een contractuele en een niet-contractuele) moet volgens het Hof als vervreemder in de zin van de Richtlijn worden beschouwd de werkgever die verantwoordelijk is voor de economische activiteiten van de overgedragen eenheid, ook al heeft die werkgever geen contractuele band met de werknemers.

Conclusie

Het oordeel van het Hof heeft ingrijpende gevolgen, met name voor concerns die met een personeels-B.V. werken. Werknemers die in dienst zijn van deze personeels-B.V., maar structureel te werk zijn gesteld bij een werkmaatschappij binnen hetzelfde concern, gaan bij een overgang van onderneming van die werkmaatschappij ook van rechtswege mee over op de verkrijgende vennootschap. Tot op heden werd aangenomen dat hiervoor een formeel-juridische (lees: contractuele) band met de vervreemder vereist was. 

Aangezien het Hof permanente detachering als “arbeidsbetrekking” heeft beschouwd, valt – hoewel het Hof zich hier niet expliciet over heeft uitgelaten – bovendien niet uit te sluiten dat de regels omtrent overgang van onderneming ook van toepassing zijn in andere, vergelijkbare situaties. Te denken valt in dat verband aan payrolling en zzp’ers. 

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr J.M.J. (Jos) Pennings (via nummer 010 - 2770311 of per e-mail pennings@schaap.eu) of Mr F.J.J. (Jeroen) Snijers (via nummer 010 – 2770311 of per e-mail snijers@schaap.eu).

20-1-2011