Risico’s van opheffingskortgedingen

In Nederland is het relatief eenvoudig om “conservatoir” (“bewarend”) beslag te leggen ten laste van debiteuren. Weliswaar is verlof van de rechter nodig, maar om dit te verkrijgen hoeft het bestaan van de vordering op de debiteur niet sluitend te worden bewezen. Voldoende is, dat daar “summierlijk van blijkt”. Het mag dan ook niet verbazen dat van het middel van conservatoire beslaglegging veel gebruik wordt gemaakt. Hoewel het beslag eigenlijk alleen is bedoeld tot zekerheid voor de duur van een aangespannen of aan te spannen procedure, wordt het ook veelvuldig gebruikt en misbruikt om druk op de debiteur te zetten en deze tot betaling te bewegen. 

Als beslag wordt gelegd en de debiteur de vordering betwist, dan kan hij opheffing van het beslag vorderen. Hij kan daartoe in kort geding een vordering instellen bij de rechter die het verlof tot beslaglegging heeft verleend. De rechter moet het beslag ondermeer opheffen als “summierlijk van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht blijkt”. In andere woorden: de debiteur moet stellen, onderbouwen en met stukken aannemelijk maken, dat de beslaglegger geen vordering (meer) op hem heeft. Als de beslaglegger te lichtvaardig te werk is gegaan, dan kan een opheffingsgeding dus goede kans van slagen hebben. 

Een opheffingskort geding is echter niet zonder risico. Zoals in iedere procedure kan de gedaagde partij (de beslaglegger) in een kort geding tegenvorderingen instellen. Dat kan ook een vordering tot betaling zijn van de geldvordering waarvoor de beslaglegger bewarend beslag had gelegd. Als die vordering onverhoopt wordt toegewezen, dan heeft de beslaglegger niet langer een bewarend beslag, maar een executoriaal beslag, dat hij direct kan uitwinnen zónder dat hij nog een langdurige bodemprocedure hoeft af te wachten. Zeker als het verweer tegen de vordering van de beslaglegger niet goed onderbouwd kan worden met rechtens relevante stukken, moet daarom steeds zorgvuldig worden afgewogen of de risico’s van een kort geding wel opwegen tegen de last die de debiteur van het beslag heeft. 

Heeft de debiteur geen of weinig last van het beslag, dan kan het onder omstandigheden de voorkeur verdienen om het beslag te laten rusten totdat in een bodemprocedure op de vordering van de beslaglegger is beslist of om de beslaglegger in ruil voor opheffing van het beslag vervangende zekerheid te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie. 

Goed juridisch advies vanaf het begin van het traject kan de mogelijke nadelige gevolgen van beslaglegging aanzienlijk beperken. 

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen heeft, kunt u contact opnemen met Mr M.A. (Michel) T Schroots (via nummer 010 - 2770319 of per e-mail schroots@schaap.eu) of Mr J.A.J. (Joop) Werner (via nummer 010 - 2770405 of per e-mail werner@schaap.eu).

7-2-2011