Tussentijdse dividend uitkering

Het eigen vermogen van een besloten vennootschap bestaat uit het gestorte en opgevraagde kapitaal. Indien de vennootschap winst maakt, dan neemt het eigen vermogen toe. Die toename kan, onder voorwaarden, aan de aandeelhouders worden uitgekeerd en wel door middel van een dividend uitkering. In een recente uitspraak van de rechtbank Amsterdam is de vraag aan de orde gekomen in hoeverre een tussentijdse dividend uitkering de toetst der kritiek kan doorstaan, indien de vennootschap vrij kort na het betalen van het dividend in staat van faillissement wordt verklaard. 

De wet kent twee vormen van dividend. De meest voorkomende is de uitkering van de winst ter zake van een reeds afgesloten boekjaar. Indien de statuten daarvoor ruimte bieden, kan er echter ook sprake zijn van een tussentijdse winstuitkering. Hierbij wordt feitelijk alvast een deel van de winst die in een bepaald boekjaar zal worden behaald, verdeeld. Om te controleren dat de besloten vennootschap niet te veel winst aan haar aandeelhouders uitkeert, moet een voorgenomen dividendbesluit getoetst worden aan de hand van vastgestelde jaarrekening. Uit die vastgestelde jaarrekening dient te volgen dat de besloten vennootschap voldoende financiële ruimte heeft om het dividend te betalen. Indien er sprake is van een tussentijdse winstuitkering is die toets niet mogelijk. Er is immers nog geen vastgestelde jaarrekening over het bewuste jaar beschikbaar. 

In de zaak die tot de uitspraak van de rechtbank Amsterdam heeft geleid was op 1 maart 2006 besloten tot het doen van een aanzienlijk interim-dividend over 2005. De vraag was hoe nu beoordeeld moest worden of de besloten vennootschap over voldoende ruimte beschikte. Dit was met name van belang nu de vennootschap kort na 2006 failliet was gegaan. De resultaten van de vennootschap waren na het uitkeren van het interim-dividend sterk verslechterd. De curator meende dat ten onrechte tot het nemen van het dividend besluit was overgegaan en vorderde het reeds betaalde dividend terug. 

De rechtbank meent dat op de datum van het besluit tot het uitkeren van interim-dividend moet worden bezien of de besloten vennootschap een eigen vermogen heeft dat groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal, vermeerderd met de verplicht aangehouden reserves. Om later discussies te voorkomen, verdient het daarom aanbeveling om een tussentijdse balans op te maken kort voordat het besluit tot het doen van een tussentijds dividend wordt genomen. 

Indien echter de resultaten van de onderneming na het uitkeren van het tussentijds dividend sterk verslechteren, zal na het vaststellen van de jaarrekening opnieuw moeten worden beoordeeld of er niet een te hoge tussentijdse uitkering heeft plaatsgevonden, om vervolgens eventuele correcties door te voeren. Het gevolg hiervan kan zijn dat de aandeelhouders (een deel van) het tussentijds dividend terug dienen te storten. 

Conclusie

Indien de aandeelhouders van een besloten vennootschap overwegen een tussentijdse dividenduitkering te nemen, zal eerst moeten worden nagegaan of de statuten die mogelijkheid toestaan. Als hiervan sprake is, verdient het aanbeveling een tussentijdse balans op te (laten) stellen op basis waarvan dient  te worden vastgesteld of er voldoende ruimte is om het voorschot op de winst uit te keren. Indien dat het geval is, zal uiteindelijk na het vaststellen van de jaarrekening van het desbetreffende boekjaar opnieuw gecontroleerd moeten worden of er inderdaad voldoende ruimte was om de uitkering te doen. Indien dat niet het geval mocht blijken te zijn, zullen eventuele correcties moeten worden doorgevoerd om (een deel van) het uitgekeerde tussentijdse dividend terug te laten storten. 

Mocht u nadere vragen hebben naar aanleiding van dit artikel dan kunt u contact opnemen mer Mr R. (Roel) Slotboom, via nummer 010 – 277 04 65 of per e-mail slotboom@schaap.eu

16-3-2011