Ontbinding en opzegging van een aannemingsovereenkomst heeft verschillende consequenties

De rechtbank Dordrecht diende onlangs te beoordelen op welke wijze een aannemingsovereenkomst was geëindigd (Rechtbank Dordrecht, 20 oktober 2009, TBR 2011/91). De opdrachtgever stelde dat hij de overeenkomst had ontbonden, de aannemer meende dat de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst had opgezegd. Dat het hier niet slechts om een woordenspel gaat, hangt samen met het feit dat de consequenties van ontbinding anders zijn dan die van opzegging. In het onderstaande zal dit worden toegelicht. Allereerst zal kort aandacht worden besteed aan de vraag in welke gevallen een aannemingsovereenkomst kan worden ontbonden of worden opgezegd. 

Gevallen waarin kan worden ontbonden of opgezegd 

De wet biedt zowel de aannemer als de opdrachtgever in een aantal gevallen de mogelijkheid om een aannemingsovereenkomst te ontbinden, hetgeen is geregeld in de artikelen 6:265 en 7:756 Burgerlijk Wetboek (‘BW’). Het recht op ontbinding bestaat wanneer de wederpartij op een bepaalde manier tekort schiet, of zal schieten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Artikel 6:265 BW heeft betrekking op de overeenkomst in het algemeen. Artikel 7:756 BW is meer in het bijzonder geschreven voor de overeenkomst van aanneming van werk, en biedt voor een aantal gevallen ruimere mogelijkheden om de aannemingsovereenkomst al voor de overeengekomen datum van oplevering te ontbinden. 

Opzegging van de aannemingsovereenkomst is op grond van artikel 7:764 BW alleen mogelijk door de opdrachtgever, en wel te allen tijde. Dat wil dus zeggen dat de opdrachtgever geen grond voor opzegging hoeft te hebben. 

Verschil in consequenties tussen opzegging en ontbinding 

Het feit dat er in een geval van ontbinding sprake zal zijn van een tekortkoming van de wederpartij, terwijl de opdrachtgever te allen tijde, dus ook zonder tekortschieten van de aannemer kan opzeggen, heeft gevolgen voor de wijze waarop partijen na ontbinding of opzegging met elkaar moeten afrekenen. 

In het geval van opzegging van de aannemingsovereenkomst bepaalt artikel 7:756 lid 2 BW dat de opdrachtgever de gehele voor het werk geldende prijs dient te betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien. Beginpunt is dus de volledige aanneemsom (en eventueel overeengekomen meer- en minderwerk en de afrekening van stelposten) waarna gedetailleerd dient te worden beoordeeld welke kosten de aannemer zich kan besparen doordat hij het werk niet hoeft af te maken. Daarbij kan gedacht worden aan bestelde bouwmaterialen en ingeschakelde onderaannemers die (wellicht tegen een vergoeding) kunnen worden geannuleerd. De in de aanneemsom opgenomen post winst zal de aannemer zich in ieder geval niet kunnen besparen, zodat hij daarop altijd aanspraak houdt. Ook is het mogelijk dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de aannemer aanspraak houdt op (een deel van) de opslagen voor de algemene kosten en risico. 

In het geval van ontbinding op grond van artikel 7:756 BW bepaalt de rechter de gevolgen daarvan. Dit geval van ontbinding zal hierna niet aan de orde komen. 

Ontbinding op grond van artikel 6:265 BW heeft tot gevolg dat partijen de nog niet nagekomen verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst niet meer hoeven na te komen, en dat al verrichte prestaties ongedaan moeten worden gemaakt. Stel dat het te realiseren gebouw al half af is, dan hoeft de aannemer het gebouw niet meer af te bouwen en hoeft de opdrachtgever de nog niet gefactureerde aanneemtermijnen niet meer te betalen. De door de aannemer al verrichte prestatie, te weten het half gerealiseerde gebouw, zou ‘ongedaan’ moeten worden gemaakt, maar het moge duidelijk zijn dat dit in de praktijk uitgesloten is, omdat het gebouw er nu eenmaal al voor de helft staat. De wet bepaalt voor dit geval dat voor de al uitgevoerde prestatie – het halve gebouw – een vergoeding in de plaats treedt. Om de hoogte van deze vergoeding vast te stellen zal doorgaans aansluiting worden gezocht bij de termijnen van de aanneemsom die de opdrachtgever al heeft betaald, vermeerderd met meerwerk en verminderd met bedragen voor eventuele gebreken in het gebouw en niet uitgevoerde werkzaamheden. 

Als het werk al voor een deel is uitgevoerd, zal de partij die ontbindt er vaak voor kiezen om de aannemingsovereenkomst alleen voor de toekomst, dus gedeeltelijk te ontbinden. In dat geval moeten de prestaties van partijen op grond van de aannemingsovereenkomst evenredig worden verminderd. Vanwege het feit dat een deel van het werk niet zal hoeven te worden uitgevoerd, zal ook een daarmee corresponderend deel van de aanneemsom niet hoeven te worden betaald. Mocht de aannemer het al gerealiseerde deel van het werk niet goed hebben uitgevoerd, dan moet daarmee ook rekening worden gehouden bij de afrekening die aannemer en opdrachtgever zullen maken. 

Naast de afrekening vanwege de ongedaanmaking of vermindering van prestaties, kan de partij die de overeenkomst ontbindt, aanspraak maken op vergoeding van de schade die hij lijdt doordat geen nakoming, maar ontbinding van de aannemingsovereenkomst plaatsvindt. Neem bijvoorbeeld het geval waarin een aannemer het werk met grote vertraging realiseert, op grond waarvan de opdrachtgever de aannemingsovereenkomst ontbindt. Als gevolg van de vertraging krijgt de opdrachtgever het gebouw – dat hij door een andere aannemer zal moeten laten afbouwen – veel later tot zijn beschikking. De opdrachtgever kan als gevolg van die vertraging schade lijden, bijvoorbeeld als hij het gebouw – voordat de vertraging zich voordeed – al had verhuurd, en hij door de vertraging huurinkomsten misloopt. Ook zou een huurder in een dergelijk geval kunnen besluiten de huurovereenkomst te ontbinden doordat het gehuurde niet tijdig aan hem ter beschikking wordt gesteld. Deze schade kan de opdrachtgever op de aannemer verhalen als aanvullende schadevergoeding. 

Tot slot 

Doordat partijen op verschillende wijze met elkaar zullen moeten afrekenen, al naar gelang er sprake is van ontbinding of opzegging van de aannemingsovereenkomst, dient er vooraf goed over te worden nagedacht op welke wijze de aannemingsovereenkomst wordt beëindigd. 

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr A.J.N. (Hanneke) Kolsters (via nummer 010 - 2770495 of per e-mail kolsters@schaap.eu) of Mr I. (Iris) Broere (via nummer 010 - 2770495 of per e-mail broere@schaap.eu).

26-8-2011