Een partij die een vordering heeft op een andere partij kan er verstandig aan doen om, voordat zij een procedure start, beslag te leggen op vermogensbestanddelen van haar wederpartij. Op die wijze kan die partij proberen te voorkomen dat zij na jaren procederen wel gelijk krijgt, maar dat gelijk niet kan verzilveren omdat de wederpartij niet meer kan betalen. Hoewel de eisen om verlof te krijgen van de voorzieningenrechter voor het leggen van beslag, per 1 juli 2011 aanzienlijk zijn aangescherpt, is het ook sindsdien betrekkelijk eenvoudig om verlof te verkrijgen voor het leggen van beslag.
Een beslag kan behoorlijk knellen. Neem bijvoorbeeld het beslag op een bankrekening - ook wel “bankbeslag” genoemd. Al het tegoed dat op het tijdstip van beslaglegging op die rekening staat, wordt door het beslag getroffen. Dit kan tot aanzienlijke schade leiden en bij een onderneming zelfs de bedrijfsvoering lamleggen. De beslagene kan immers niet meer beschikken over het tegoed.
Als de vordering waarvoor de beslaglegger beslag heeft gelegd, wordt afgewezen, staat ook vast dat zijn beslag - achteraf gezien - onterecht is gelegd.
Verplichting tot schadevergoeding bij onterecht beslag
In zijn arrest van 12 februari 1992, NJ 1992, 321, bepaalde de Hoge Raad dat degene die een beslag legt en handhaaft, voor eigen rekening en risico handelt en - bijzondere omstandigheden daargelaten - de als gevolg van het beslag door de beslagene geleden schade dient te vergoeden als achteraf blijkt dat het beslag ten onrechte is gelegd.
Dat geldt ook als de beslaglegger op verdedigbare gronden van zijn vordering is overtuigd en niet lichtvaardig heeft gehandeld.
Schadevergoeding fixeren op wettelijke rente (art. 6:119 BW)?
Het is niet altijd eenvoudig voor een beslagene om de omvang van zijn schade aan te tonen. De rechtbank Zutphen oordeelde (zo volgt uit haar uitspraak van 15 december 2010, LJN: BO9357) dat bij een onterecht bankbeslag de schadevergoeding gefixeerd kan worden op de wettelijke rente. In de wet zijn in artikel 119 e.v., boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: art. “6:119 BW”), bepalingen opgenomen over de wettelijke rente.
Volgens de rechtbank Zutphen behoeft de beslagene bij een bankbeslag zijn schade - gelet op de fixatie van de schadevergoeding - niet te bewijzen. Een beroep op verrekening van het door de beslagene eventueel genoten voordeel, is niet toegestaan. Dat eventuele voordeel kan bijvoorbeeld de rente zijn die de beslagene van de bank heeft ontvangen over het door het beslag geblokkeerde bedrag. Daartegenover staat dat de beslagene niet de mogelijkheid heeft aan te tonen dat hij grotere schade heeft geleden dan het bedrag van de wettelijke rente, aldus de rechtbank Zutphen.
Volgens de rechtbank Maastricht (uitspraak van 12 maart 2003, NJ 2003/251) is art. 6:119 BW niet van toepassing bij de vaststelling van de schadevergoeding in geval van een onterecht bankbeslag. Toch kan volgens de rechtbank Maastricht bij de begroting van de schade worden aangeknoopt bij de wettelijke rente.
Daarbij oordeelde de rechtbank Maastricht, anders dan de rechtbank Zutphen, dat het te ontvangen bedrag aan wettelijke rente wèl dient te worden verminderd met de door de beslagene ontvangen rente over het door het beslag geblokkeerde bedrag.
Hoge Raad: geen fixatie van schadevergoeding ex art. 6:119 BW bij beslag op aandelen
In de zaak die leidde tot de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2011, LJN BQ1823, was beslag gelegd op aandelen. Als gevolg van het beslag konden de aandelen niet worden geleverd aan de partij aan wie de aandelen vóór de beslaglegging waren verkocht. De vordering waarvoor beslag was gelegd, werd afgewezen. Het beslag was daarom achteraf gezien onterecht gelegd.
De beslagene vorderde bij wijze van schadevergoeding betaling van de wettelijke rente op grond van art. 6:119 BW over de koopsom van de aandelen. De Hoge Raad oordeelde als volgt.
Het doel van artikel 6:119 BW is om de schadevergoeding vanwege vertraging in de betaling van een geldsom te fixeren op de wettelijke rente. Dat komt de rechtszekerheid en hanteerbaarheid van het recht op dit punt ten goede. Zo hoeft een schuldeiser aan de ene kant niet te bewijzen dat hij enige schade heeft geleden als gevolg van de vertraging in de betaling van een geldsom. Aan de andere kant kan hij niet met succes een hogere vergoeding vorderen als zijn werkelijke schade hoger is dan het gefixeerde bedrag aan wettelijke rente.
Omdat in art. 6:119 BW in meerdere opzichten wordt afgeweken van het uitgangspunt dat de schuldeiser zijn werkelijk geleden schade vergoed dient te krijgen, moet art. 6:119 BW beperkt worden uitgelegd, aldus de Hoge Raad. Het artikel geldt slechts in situaties waarin daadwerkelijk sprake is van vertraging door de schuldenaar in de betaling van een geldsom.
De Hoge Raad ziet dan ook geen reden voor analoge toepassing van art. 6:119 BW op de vordering tot schadevergoeding bij onterecht beslag op aandelen. De beslaglegger verkeert immers niet in verzuim met de betaling van een geldsom, maar hij heeft ten onrechte beslag gelegd en gehandhaafd op een aandelenpakket.
De schadevergoeding moet daarom worden berekend door te vergelijken de situatie waarin de beslagene door het beslag verkeert, met die waarin de beslagene zou hebben verkeerd als geen beslag zou zijn gelegd.
Hoewel de uitspraak van de Hoge Raad ziet op beslag op aandelen, lijkt de uitspraak ook van toepassing te zijn bij beslag op andere goederen. Voor andere beslagobjecten geldt immers evenzeer dat de beslaglegger niet in verzuim verkeert met de betaling van een geldsom, maar ten onrechte beslag heeft gelegd op een beslagobject van de beslagene.
Conclusie
Als een beslag achteraf gezien onterecht is gelegd, dient de beslaglegger de beslagene schadevergoeding te betalen.
Uit uitspraken van lagere rechters blijkt dat voor vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding bij een bankbeslag aansluiting wordt gezocht bij de wettelijke rente.
Er is daarbij sprake van verdeeldheid over het antwoord op de vraag of verrekening dient plaats te vinden van de door de beslaglegger te betalen wettelijke rente met de door de beslagene eventueel van de bank ontvangen rente.
Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2011 volgt dat in elk geval bij een beslag op aandelen voor de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding geen aansluiting kan worden gezocht bij de wettelijke rente. De beslagene dient zijn werkelijke schade aannemelijk te maken.
Het is verdedigbaar dat de uitspraak van de Hoge Raad ook geldt voor beslagen op andere goederen, waaronder bijvoorbeeld een bankbeslag. Ook bij een bankbeslag kan, hoewel beslag is gelegd op een geldsom, niet worden gesteld dat de beslaglegger in verzuim verkeert met de betaling van een geldsom. Hij heeft beslag op die geldsom gelegd waardoor de beslagene niet over het geld kan beschikken, maar dat is wat anders. Daarom moet worden aangenomen dat - anders dan de rechtbanken Zutphen en Maastricht oordeelden - ook bij een bankbeslag geen aansluiting kan worden gezocht bij de wettelijke rente, maar de beslagene zijn werkelijk geleden schade aannemelijk zal dienen te maken.
Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr R. (Roel) Slotboom (via nummer 010 – 2770465 of per e-mail slotboom@schaap.eu) of Mr J.J. (Ian) Linker (via nummer 010 – 2770495 of per e-mail linker@schaap.eu).
20-9-2011