Internet en social media binnen het recht

In toenemende mate is er sprake van een zogenaamde “privé-tisering” van de werkplek: de scheidslijn tussen werk en privé wordt steeds vager door toenemend gebruik van internet op de werkplek en door het gebruik van social media. Het gebruik van social media op de werkvloer kan zowel voor de werkgever als voor de werknemer consequenties hebben, bijvoorbeeld op het gebied van reputatieschade, schending van intellectuele eigendomsrechten van derden, overtreding van geheimhoudingsverplichtingen en schending van relatiebedingen.

Met name bij werkgevers bestaat een behoefte aan regulering en controle. Rechtspraak wijst ook uit, dat een goed en duidelijk internet-, social media, informatie- en geheimhoudingsprotocol (en de handhaving daarvan) in specifieke gevallen van groot belang kan zijn.

Een gedragscode of protocol kan richtlijnen en normen bevatten, die grenzen stellen aan het gebruik van internet en social media tijdens werkuren, maar ook daarbuiten, met name om het risico van reputatieschade zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is nog van belang om te werken aan een vorm van bewustwording binnen het bedrijf, zodat duidelijk is welke gevolgen bepaald gedrag kan hebben (normering / sancties).

Zo is het denkbaar dat wordt vastgelegd, dat internet- en social media slechts gedurende een beperkte tijd van de dag (bijvoorbeeld slechts in de pauze) mogen worden gebruikt. Mogelijk is ook dat uitingen, waarin de bedrijfsnaam wordt genoemd of die in verband kunnen worden gebracht met het bedrijf van de werkgever, vooraf ter goedkeuring aan de afdeling communicatie & marketing worden voorgelegd.

Aan handhaving van het protocol en aan bijvoorbeeld een internetsearch naar sollicitanten kleeft een aantal privacyproblemen. Wat de controle op het gebruik van social media betreft, zal de werkgever aan moeten tonen, dat het bedrijf daarbij een gerechtvaardigd belang heeft, dat boven het privébelang van de werknemer gaat. In de gedragscode kunnen sancties op overtreding van de normen worden gesteld. Wat een internetsearch naar sollicitanten betreft, geldt dat het naar de huidige stand van zaken aanbeveling verdient om daarvoor voorafgaande toestemming van de kandidaat te vragen.

Deze korte bijdrage bevat slechts een zeer beknopte signalering van enkele deelaspecten van de hierboven aangeduide problematiek. Het gehele rechtsgebied en het rechtsgebied internetrecht zijn voortdurend in beweging, zodat het aanbeveling verdient in specifieke gevallen telkens tijdig advies over de actuele stand van zaken in te winnen.

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr M.A. (Michel) T Schroots (via nummer 010 - 2770319 of per e-mail schroots@schaap.eu).

29-12-2011