Dient een nieuwe bestuurder te onderzoeken of aan de stortingsplicht is voldaan?

Rechtbank ’s-Gravenhage 17 augustus 2011, LJN BU3302

Inleiding

Indien u onlangs bestuurder bent geworden van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of indien u van plan bent om deze functie in de toekomst te gaan vervullen, wees er dan op bedacht dat u als nieuwe bestuurder nagaat of is voldaan aan de stortingsplicht op aandelen. Is namelijk niet voldaan aan deze stortingsplicht, dan loopt u als bestuurder het risico hoofdelijk aansprakelijk te worden gehouden voor elke tijdens uw bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden.

Tot deze conclusie kwam ook de rechtbank ’s-Gravenhage op 17 augustus 2011.

Feiten

De feiten in deze zaak waren als volgt.

De GeusPro B.V. (hierna aan te duiden als: de “Vennootschap”) is op 8 februari 2001 bij akte van oprichting opgericht, in welke akte onder meer is bepaald dat in het kapitaal van de vennootschap wordt deelgenomen voor een bedrag van € 18.000,= (ƒ 39.666,78), zulks onder de verplichting tot volstorting in geld, welke volstorting heeft plaatsgevonden en door de vennootschap is aanvaard. De aan de akte van oprichting gehechte bankverklaring vermeldt dat de door de Vennootschap aangehouden bankrekening een creditsaldo had van € 18.151,21 (ƒ 40.000,=). Voor het verlijden van de akte van oprichting is er echter van het gestorte kapitaal een totaalbedrag van € 17.744,68 (ƒ 39.104,13) afgeschreven, zodat ten tijde van de oprichting op 8 februari 2001 het gestorte kapitaal € 406,53 (ƒ 895,87) bedroeg. Vervolgens is er na oprichting een totaalbedrag van € 22.689,01 (ƒ 50.000,=) bijgeschreven, waarvan € 18.151,21 (ƒ 40.000,=) als lening. Op 26 maart 2001 bedroeg het totale saldo € 24.294,87 (ƒ 53.538,85).

Inside The Building B.V. (hierna aan te duiden als: “ITB”) is met ingang van 21 februari 2008 enig aandeelhouder en bestuurder geworden van de Vennootschap. ITB werd bestuurd door Arlest Beheer B.V. (hierna aan te duiden als: “Arlest”), welke vennootschap op haar beurt werd bestuurd door B.

In september/oktober 2008 heeft A een overeenkomst gesloten met de Vennootschap in verband waarmee A aluminium puien en zonweringslamellen heeft geleverd en gemonteerd. De Vennootschap heeft van de door A gezonden facturen een bedrag van € 77.170,31 (ƒ 170.060,98) niet betaald. Op 25 augustus 2009 is de Vennootschap gefailleerd.

Geschil

A heeft de rechtbank gevorderd om hoofdelijke veroordeling van ITB, Arlest en B tot betaling van € 77.170,31, waarbij A aan de vordering jegens ITB ten grondslag heeft gelegd dat niet is voldaan aan de volstorting van de aandelen voortvloeiende uit de oprichtingsakte van de Vennootschap. Als gevolg hiervan zou ITB op grond van artikel 2:180 lid 2 sub b BW naast de Vennootschap hoofdelijk aansprakelijk zijn voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de Vennootschap is verbonden. Nu ITB een rechtspersoon is, zou op grond van artikel 2:11 BW de aansprakelijkheid tevens hoofdelijk rusten op ieder die ten tijde van het ontstaan van die aansprakelijkheid van deze rechtspersoon bestuurder was.

Beoordeling rechtbank

ITB, Arlest en B voeren als verweer dat de vordering tot volstorting is verjaard, nu meer dan 5 jaren na oprichting zijn verlopen. De rechtbank is echter van oordeel dat hier onderscheid moet worden gemaakt tussen de vordering tot volstorting en de vordering uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders op grond van artikel 2:180 BW. Voor de verjaring van laatstbedoelde vordering geldt een verjaringstermijn van 20 jaar. 

Ook het verweer dat op 23 maart 2001 alsnog aan de stortingsplicht was voldaan treft geen doel, nu de overgemaakte bedragen niet door de oprichters maar door derden zijn overgemaakt en een groot deel van de bedragen is overgemaakt als lening, hetgeen niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldige volstorting.

Gedaagden hebben daarnaast nog als verweer gevoerd dat zij als opvolgend bestuurders niet op de hoogte konden zijn van het ontbreken van een rechtsgeldige volstorting, en dat zij mochten vertrouwen op de oprichtingsakte en de bankverklaring. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 2:180 BW uitdrukkelijk niet voorziet in een disculpatiemogelijkheid. Dit geldt eveneens voor opvolgend bestuurders. Het was dus niet relevant of ITB al of niet kon worden verweten dat zij niet bekend was met het feit dat aan de stortingsplicht niet was voldaan. Zelfs als de rechtbank er van uit zou gaan dat ITB een beroep zou kunnen doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, zou daartoe ten minste vereist zijn dat ITB geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het feit dat zij er niet bekend was dat de volstorting van de aandelen niet had plaatsgevonden. De statuten en de oprichtingsakte vormen volgens de rechtbank geen garantie dat aan de stortingsplicht is voldaan en onder de gegeven omstandigheden mochten de gedaagden daar ook niet op vertrouwen, nu ITB als opvolgend bestuurder aan de hand van de beschikbare bankafschriften had kunnen constateren dat niet aan de stortingsplicht was voldaan. Het feit dat de curator nu over de bankafschriften beschikt, betekent dat ook ITB over de afschriften had kunnen beschikken.

Ook hebben gedaagden betoogd dat er geen causaal verband bestaat tussen het niet voldoen aan de stortingsplicht en het faillissement. De rechtbank heeft echter aangegeven dat dit geen voorwaarde is voor de aansprakelijkheid op grond van artikel 2:180 BW.

Tot slot hebben gedaagden een beroep gedaan op het wetsvoorstel vereenvoudiging en flexibilisering van het BV-recht en hebben zij de rechtbank verzocht hierop te anticiperen. Nu het wetsvoorstel echter nog niet door de Eerste Kamer is aangenomen kan het wetsvoorstel nog niet worden gezien als geldend recht, zo oordeelde de rechtbank.

De rechtbank heeft geoordeeld dat ITB jegens A aansprakelijk is voor de betaling van € 77.170.31 (ƒ 170.060,98). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van artikel 2:11 BW Arlest en B eveneens hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Slotopmerking

Uit bovenstaande uitspraak volgt dat het van het grootste belang is dat een nieuwe bestuurder onderzoekt of aan de stortingsplicht is voldaan. Blijkt dat aan de stortingsplicht niet is voldaan, dan kan de nieuwe bestuurder op grond van artikel 2:180 BW hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor elke tijdens zijn bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden. Op grond van artikel 2:11 BW kan ook de bestuurder van een rechtspersoon die als bestuurder optreedt hoofdelijk aansprakelijk zijn. Totdat aan de stortingsplicht is voldaan, zal een aankomend bestuurder de functie dus niet moeten aanvaarden.

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr Drs R.X.J. (Xander) Blokzijl (via nummer 010 – 2770408 of per e-mail blokzijl@schaap.eu) of Mr A.C. (Anne-Marie) Moree (via nummer 010 – 2770300 of per e-mail moree@schaap.eu).

20-1-2012