Wet bescherming bedrijfsgeheimen aangenomen: een kennismaking - Schaap Advocaten Notarissen

Wet bescherming bedrijfsgeheimen aangenomen: een kennismaking

Mr R. (Ramses) de Leeuw I 14 november 2018 I Leestijd: ongeveer 5 minuten

Op 16 oktober 2018 is de ‘Wet bescherming bedrijfsgeheimen’ door de Eerste Kamer aangenomen. Deze wet regelt wat er onder een ‘bedrijfsgeheim’ wordt verstaan, tegen welke vormen van inbreuk daarop kan worden opgetreden en welke handhavingsmaatregelen daarvoor kunnen worden ingezet.

Het wetsvoorstel voor de Wet bescherming bedrijfsgeheimen is op 17 april 2018 al aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer is nu ook akkoord. De Wet bescherming bedrijfsgeheimen is de nationale uitwerking van een EU-richtlijn die ziet op de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen). De EU-harmonisatie is noodzakelijk om bedrijfsgeheimen beter te beschermen, aldus de toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel. Volgens de Europese Commissie komt dit ten goede aan grensoverschrijdende innovatie.

Oud recht
Onder het recht vóór de op 23 oktober 2018 in werking getreden Wet bescherming bedrijfsgeheimen ontbrak een specifieke regeling voor de bescherming van bedrijfsgeheimen. De benadeelde moest zich zien te redden met een divers instrumentarium daarvoor. Zo kan binnen het algemene civiele recht een beroep worden gedaan op eventuele contractuele geheimhoudingsbedingen, of bij gebreke daarvan, op het leerstuk van onrechtmatige daad. Meer specifiek kan in het arbeidsrecht een beroep worden gedaan op het algemene artikel 7:611 BW, op basis waarvan een werknemer zich als goed werknemer dient te gedragen. Daaronder valt ook de verplichting om bedrijfsgeheimen van zijn werkgever geheim te houden. De oude bescherming was dus voornamelijk gebaseerd op algemene leerstukken en op eventueel aanwezige contractuele bepalingen. Daarnaast was de bescherming van bedrijfsgeheimen in de EU-lidstaten op uiteenlopende manieren geregeld en werden verschillende definities van een ‘bedrijfsgeheim’ gebruikt. De EU-richtlijn en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen brengen hier verandering in.

‘Bedrijfsgeheim’
De definitie van ‘bedrijfsgeheim’ in de Wet bescherming bedrijfsgeheimen is één-op-één overgenomen uit de EU-richtlijn. Informatie is een ‘bedrijfsgeheim’ wanneer het aan de volgende drie cumulatieve voorwaarden voldoet (artikel 1 van de wet):

  • “zij is geheim in die zin dat zij, in haar geheel dan wel in de juiste samenstelling en ordening van haar bestanddelen, niet algemeen bekend is bij of gemakkelijk toegankelijk is voor degenen binnen de kringen die zich gewoonlijk bezighouden met dergelijke informatie”;

Volgens het toelichtende gedeelte van de EU-richtlijn valt alledaagse informatie niet onder de definitie, evenmin als de ervaring en vaardigheden die werknemers vergaren tijdens de normale uitoefening van hun functie. Bepalend is of de informatie eenvoudig toegankelijk is voor personen binnen de kringen die zich gewoonlijk met die informatie bezighouden.

  • “zij bezit handelswaarde omdat zij geheim is, en

In het toelichtende gedeelte van de EU-richtlijn staat dat het hierbij gaat om zowel feitelijke als potentiële handelswaarde. Een bedrijfsgeheim bezit handelswaarde bijvoorbeeld wanneer het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken daarvan schadelijk zou kunnen zijn voor de belangen van de houder van het bedrijfsgeheim, aangezien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het wetenschappelijk en technisch potentieel, de zakelijke of financiële belangen, de strategische posities of het concurrentievermogen van die houder.

  • “zij is door degene die daar rechtmatig over beschikt, onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om deze geheim te houden”;

De EU-richtlijn beschrijft niet wat onder dergelijke ‘redelijke’ maatregelen moet worden verstaan. Volgens de toelichting bij het Nederlandse wetsvoorstel ligt een aantal technische en contractuele maatregelen voor de hand. De toelichting noemt het opnemen van geheimhoudingsbedingen in overeenkomsten en arbeidsreglementen, het expliciet benoemen of registreren van bedrijfsgeheimen (bijvoorbeeld het verrichten van een depot (een middel om te bewijzen dat je bepaalde informatie op een bepaalde datum in handen had)), het bewaken van het bedrijfsterrein, en het treffen van digitale beschermingsmaatregelen zoals encryptie.

Inbreuken op bedrijfsgeheimen
Artikel 2 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bepaalt wanneer een bedrijfsgeheim op onrechtmatige wijze wordt verkregen, gebruikt of openbaar gemaakt. Het ontbreken van toestemming van de houder van het bedrijfsgeheim staat hierbij centraal. Het handelen in strijd met een geheimhoudingsbeding valt daar uiteraard ook onder.

Géén inbreuken op bedrijfsgeheimen
Met het oog op het belang van innovatie en concurrentie bepaalt artikel 3 ook wanneer géén sprake is van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen. Het gaat hier onder meer om eigen ontdekkingen, reverse engineering en het verkrijgen van informatie die al publiekelijk beschikbaar was.

Uitzonderingen
Met het oog op grondrechten en misstanden zijn in artikel 4 vier uitzonderingen opgenomen, op grond waarvan de rechter een vordering of verzoek om toepassing van de hieronder genoemde handhavingsmaatregelen afwijst. Het gaat hier om de gevallen waarin het verkrijgen, gebruiken of openbaar van bedrijfsgeheimen is gebaseerd op:

  1. het uitoefenen van het grondrecht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, inclusief het recht van de eerbiediging van de vrijheid en het pluralisme van de media;
  2. het met het oog op de bescherming van het algemeen belang onthullen van wangedrag, fouten of illegale activiteiten (denk bijvoorbeeld aan de Wet Huis voor klokkenluiders);
  3. het openbaar maken van een bedrijfsgeheim door werknemers aan hun vertegenwoordigers in de ondernemingsraad, en
  4. met het oog op een rechtmatig belang dat wordt beschermd ingevolge het recht van de Europese Unie of bij of krachtens de wet (denk aan dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming, milieu, gezondheid, openbare orde en openbare veiligheid).

Handhavingsmaatregelen
In de artikelen 5 tot en met 9 wordt de handhaving van bedrijfsgeheimen geregeld. Er wordt onderscheid gemaakt tussen voorlopige en bewarende maatregelen door de voorzieningenrechter (artikel 5), en maatregelen in een bodemprocedure door de gewone rechter (artikel 6). Voorbeelden van voorlopige maatregelen zijn de staking van of het verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim, en het verbod om inbreukmakende goederen te produceren of in de handel te brengen. Deze maatregelen kunnen ook in een bodemprocedure worden gevorderd, aangevuld met bijvoorbeeld de mogelijkheden om inbreukmakende goederen terug te roepen of uit de handel te halen, en te vernietigen. Een voorbeeld van een bewarende maatregel is het leggen van beslag op de inbreukmakende goederen.

De houder van het bedrijfsgeheim kan ook schadevergoeding vorderen (artikel 8). Volgens de richtlijn moet de rechter bij het vaststellen van de hoogte van de schadevergoeding rekening houden met “alle passende factoren, zoals de negatieve economische gevolgen, waaronder winstderving, die de benadeelde partij heeft ondervonden, de onrechtmatige winst die de inbreukmaker heeft genoten en, in passende gevallen, andere elementen dan economische factoren, zoals de morele schade die de houder van het bedrijfsgeheim door het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het bedrijfsgeheim heeft geleden”.

De rechter kan echter ook een forfaitair bedrag als schadevergoeding vaststellen. De hoogte daarvan wordt dan vastgesteld op basis van “ten minste het bedrag aan royalty’s of vergoedingen dat verschuldigd zou zijn geweest indien de inbreukmaker toestemming had gevraagd om het betrokken bedrijfsgeheim te gebruiken”.

Volledige proceskostenveroordeling
Interessant is verder nog dat de rechter op vordering van de eisende partij de mogelijkheid heeft om de in het ongelijk gestelde partij een volledige proceskostenveroordeling op te leggen. Normaal gesproken blijft een proceskostenveroordeling beperkt tot het voor die procedure geldende forfaitaire “liquidatietarief”, dat slechts een zeer beperkt deel van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten dekt. In zaken over rechten van intellectuele eigendom is dat echter anders, en kan volledige proceskostenveroordeling worden gevorderd. De Wet bescherming bedrijfsgeheimen regelt dat dit ook in zaken over bedrijfsgeheimen het geval is. Volgens de minister moet dit echter wel terughoudend worden toegepast, namelijk bij “flagrante inbreuken, als het bedrijfsgeheim glashelder is en als de inbreukmaker daarop welbewust inbreuk heeft gemaakt”.

Slotsom
De Wet bescherming bedrijfsgeheimen voorziet in een specifieke regeling om bedrijfsgeheimen te beschermen en die bescherming met specifieke maatregelen te handhaven. Dit is een grote verbetering ten opzichte van het oude beschermingskader, dat bestond uit algemene leerstukken en – in voorkomende gevallen – overeengekomen geheimhoudingsbedingen. Daarnaast komt het de handhaving in grensoverschrijdende gevallen ten goede dat op basis van de EU-richtlijn in de gehele Europese Unie min of meer dezelfde regeling geldt en dezelfde begrippen worden gehanteerd.

Het blijft overigens verstandig om geheimhoudingsbedingen overeen te komen, ook omdat zo’n beding een haakje is om een inbreuk in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen vast te stellen. Daarnaast kun je op schending van zo’n beding van te voren een boetebedrag zetten, om zo lastige discussies achteraf over de hoogte van de schade te omzeilen.

Als u naar aanleiding van dit artikel vragen hebt, kunt u contact opnemen met Mr R. (Ramses) de Leeuw.

Dit artikel is ook verschenen op de website Accountant.nl